Realiteitsbeginsel

Realiteitsbeginsel

Het realiteitsbeginsel bepaalt wanneer je omzet en winst in je boekhouding opneemt: pas als ze gerealiseerd zijn. Dat is het geval als je je werk hebt gedaan of je product hebt geleverd, en het waarschijnlijk is dat je klant betaalt. Wanneer het geld op je rekening komt, maakt daarbij niet uit.

In jortt valt de omzet van een factuur in de periode van de leverdatum. De betaling van je klant koppel je later aan die factuur, en die verandert niets aan het moment van je omzet.

Wat betekent het realiteitsbeginsel concreet?

Omzet is gerealiseerd als twee dingen kloppen:

  • je hebt geleverd: het werk is gedaan of het product is bij je klant;
  • betaling is waarschijnlijk: je hebt een vordering op je klant, en er is geen reden om aan te nemen dat hij niet betaalt.

Het moment dat je klant betaalt, doet er voor dit beginsel niet toe. Betaalt hij meteen of pas weken later, de omzet hoort bij de periode waarin je hebt geleverd. Zo laat je boekhouding zien wat je in een periode echt hebt verdiend, los van het ritme waarin klanten betalen.

Vaak vallen leveren en factureren op dezelfde dag. Lever je eerder dan je factureert, dan telt de leverdatum. Die bepaalt in welke periode je winstbelasting betaalt. De btw hoort bij de factuurdatum.

Realiteitsbeginsel of realisatiebeginsel?

De twee woorden worden door elkaar gebruikt, maar ze betekenen niet hetzelfde:

  • In de jaarverslaggeving heet de regel op deze pagina het realisatiebeginsel. De wet zegt het zo: winsten neem je alleen op voor zover ze op de balansdatum zijn verwezenlijkt (artikel 2:384 lid 2 BW). Dat geldt voor de jaarrekening, bijvoorbeeld van een bv.
  • Fiscaal is het realiteitsbeginsel een van de drie beginselen van goed koopmansgebruik. Daar betekent het: opbrengsten en kosten horen in het jaar waar ze bij horen. Dat winst pas telt als hij er is, valt fiscaal onder het voorzichtigheidsbeginsel.

In de praktijk komen ze op hetzelfde uit voor je omzet: die hoort bij de periode waarin je levert.

Een eenvoudig voorbeeld

Stel dat je in december een opdracht afrondt en je factuur nog in december verstuurt. Je klant betaalt in januari. De omzet hoort bij december, want toen heb je geleverd. Op 31 december staat het bedrag als vordering op je balans, bij de onbetaalde facturen van klanten.

Andersom geldt hetzelfde. Een aanbetaling die je ontvangt voor werk dat je nog moet doen, is nog geen gerealiseerde omzet. Je hebt nog niet geleverd, dus je hebt eerder een schuld aan je klant dan een opbrengst.

Zo werkt het in jortt

Jortt werkt met het factuurstelsel. Zo volgt het boekhoudprogramma van jortt het realiteitsbeginsel:

  1. Omzet komt uit je factuur. Als je een factuur maakt en verstuurt, boekt jortt de omzet in de periode van de leverdatum. Geef je een eerdere leverdatum op dan de factuurdatum, dan staat de omzet al in die eerdere maand in je winst-en-verliesrekening. Op je balans zie je hem dan als nog niet gefactureerd aan klant.
  2. De betaling is een aparte stap. Komt het geld binnen, dan koppelt de Boekhoudbot de betaling aan de openstaande factuur. Tot dat moment staat de factuur bij de onbetaalde facturen op je balans.
  3. Een aanbetaling blijft op de balans tot je levert. Je maakt een aparte factuur voor de aanbetaling, met als leverdatum de maand waarin je levert. Betaalt je klant eerder dan je levert, dan staat de betaling als overlopende post bij nog te leveren diensten of goederen. In het rapport Overlopende posten zie je welke facturen het zijn.

Wat jortt niet voor je beoordeelt

Jortt boekt je omzet op basis van je factuur en de leverdatum. Of een klant echt gaat betalen, beoordeel je zelf. Wordt een factuur oninbaar, bijvoorbeeld door een faillissement, dan markeer je hem zelf als oninbaar.

Samenhang met andere beginselen

Het realiteitsbeginsel werkt samen met het toerekeningsbeginsel, dat opbrengsten en kosten aan de juiste periode koppelt, en met het voorzichtigheidsbeginsel: een verlies neem je zodra je het ziet aankomen, een winst pas als hij er is. Alle regels samen staan in het overzicht van de accounting principes.

Veelgestelde vragen over het realiteitsbeginsel

Heb je een vraag? Wij hebben de antwoorden!

Het realiteitsbeginsel bepaalt wanneer je omzet en winst in je boekhouding opneemt: pas als ze gerealiseerd zijn. Dat is het geval als je je werk hebt gedaan of je product hebt geleverd, en het waarschijnlijk is dat je klant betaalt. Het moment waarop het geld binnenkomt, is niet bepalend.

In de jaarverslaggeving heet de regel dat je winst pas neemt als die gerealiseerd is het realisatiebeginsel. Fiscaal betekent het realiteitsbeginsel iets breders: opbrengsten en kosten horen in het jaar waar ze bij horen. Dat winst pas telt als hij er is, valt fiscaal onder het voorzichtigheidsbeginsel.

Omzet is gerealiseerd zodra je de dienst of het goed hebt geleverd en het waarschijnlijk is dat je betaald krijgt. Daarom telt de leverdatum, niet de betaaldatum. In jortt valt de omzet van een factuur in de periode van de leverdatum, ook als je de factuur pas later verstuurt.

Nee. Een aanbetaling voor werk dat je nog moet doen, is nog geen gerealiseerde omzet, want je hebt nog niet geleverd. In jortt maak je een aparte factuur voor de aanbetaling met als leverdatum de maand waarin je levert. Tot die maand staat de betaling als nog te leveren op je balans.

Nee. Jortt boekt je omzet op basis van je factuur en de leverdatum, en koppelt de betaling als die binnenkomt. Of een klant echt gaat betalen, beoordeel je zelf. Is een factuur oninbaar geworden, bijvoorbeeld door een faillissement, dan markeer je hem zelf als oninbaar.